← Vorige pagina

Nekklachten en brachialgie

De module nekklachten en brachialgie is de tweede module die als zodanig is vormgegeven door de School voor Manuele Therapie Nederland (SMTN). De SMTN verzorgt al decennia onderwijs in manuele therapie (op post-HBO en master-niveau). De basis daarvan bestaat uit de ‘Methode Van der Bijl’ die in de jaren zestig van de vorige eeuw ontstond, en nadien ontwikkeld en vernieuwd is.

Tijdens deze meerdaagse cursus verdiepen cursisten zich in de theoretische kennis en praktische vaardigheden rondom fysio- en manueel therapeutische handelingen (screening-, diagnostiek en behandeling volgens de principes van EBP) bij patiënten met nekklachten en brachialgie. De fysiotherapeutische richtlijnen KANS (Heemskerk, 2010) en nekpijn (Bier, 2016) en de flowchart: Klinisch redeneerproces van de manueeltherapeut bij een patiënt met hoofdpijn en/of nekpijn vormen de leidraad van de cursus.

Daarnaast nemen cursisten kennis van de nieuwste inzichten over kinematica van de cervicale wervelkolom. Het ontstaan van nekklachten en brachialgie wordt gerelateerd aan de vorm en bewegingsfunctie van deze gewrichten. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan de rol van de hoog cervicale wervels. De diagnostiek (door medisch specialist en fysiotherapeut) bij radiculaire – en niet-radiculaire klachten wordt toegelicht.

Door het inbrengen en verwerken van (eigen) casuïstiek krijgen deelnemers een helder beeld van hoe de manuele handgrepen kunnen worden toegepast binnen de eigen manuele en fysiotherapiepraktijk. Daarbij staat het combineren van actieve oefenvormen en passieve gewrichtsmobilisaties op de voorgrond.

Deze cursus manuele therapie voor fysio- en manueeltherapeuten draagt bij aan het doorgeven van kennis en kunde met betrekking tot visies en behandelmogelijkheden van manuele therapie aan fysiotherapeuten manueeltherapeuten.

De cursus speelt in op de ontwikkelingen in de gezondheidszorg waarbij de zorgverlener professionaliseert , zijn kennis en vaardigheden uitbreidt en multidisciplinaire samenwerking aangaat.

De cursist ontwikkelt zich verder in de beroepsrol “Zorgaanbieder” en “Professional”.

Over deze module

Deze module is onderdeel van de opleiding tot Manueel Therapeut, maar kan ook als losse module worden gevolgd in de vorm van bijscholing / nascholing (met accreditatie). De module is uitermate geschikt voor fysiotherapeuten, oefentherapeuten, manueel therapeuten, podotherapeuten en register podologen.

De belangrijkste onderwerpen van deze module zijn:

  • Uitgangspunten van manuele therapie volgens de Utrechtse School , toegepast op nekklachten en brachialgie;
  • De analyse van het individuele functiemodel en de toepassing daarvan bij het ontwerpen van de   behandeling van de cervicale wervelkolom;
  • Functioneel-morfologische aspecten van nekklachten en brachialgie;
  • Functionele Anatomie van de cervicale wervelkolom;
  • De uitvoering van behandeltechnieken aan de cervicale wervelkolom;
  • Anamnese, onderzoek en klinisch redeneren bij nekklachten en brachialgie;
  • Biomechanische aspecten van de cervicale wervelkolom.

Bij elk onderwerp gelden de volgende uitgangspunten:

  • Vaardigheidsonderwijs maakt het grootste deel uit van elke module. Naast theoretische onderwerpen als functionele Anatomie en klinisch redeneren vormt het trainen van behandeltechnieken (’skills’) het belangrijkste onderdeel.
  • Functionele morfologie wordt gehanteerd als basiswetenschap. Deze aan de Biologie gelieerde wetenschap (Mechanobiology) gaat onder andere uit van uitdagende uitganspunten als het ‘optimal design’: binnen het menselijk lichaam bestaan geen ontwerpfouten (een achillespees is niet slecht doorbloed!). Een gevolg is dat geprobeerd wordt te begrijpen waarom ons lichaam gebouwd is zoals het is gebouwd en functioneert zoals het functioneert.
  • De individualiteit van elke mens staat centraal. Mede omdat iedereen een eigen (unieke) lichaamsbouw heeft, wordt iedereen gekenmerkt door individuele bewegingspatronen. De analyse van het individuele functiemodel van elke patiënt is richtinggevend voor de behandeling. Het individuele functiemodel wordt opgesteld aan de hand van een mechanische interpretatie van voorkeursbewegingen en bewegingsvoorkeur van de patiënt. In dit model worden geen tekortkomingen vastgesteld, maar wordt aangegeven wat de manier van bewegen is die past bij deze patiënt. In combinatie met gegevens uit de artrokinematica en de functionele Anatomie kan daarmee een behandelplan worden opgesteld.
  • Bewegingspatronen in gewrichten kunnen worden aangepast door het uitvoeren van (passieve) behandeltechnieken. Daarmee kunnen de oorspronkelijke bewegingspatronen hersteld (opnieuw mogelijk gemaakt) worden. Dit wordt tevens beschouwd als een voorwaarde voor weefselherstel en een bijdrage aan het succes van actieve oefentherapie. De combinatie van manueeltherapeutische behandeltechnieken en actieve oefentherapie wordt (ook) bij de behandeling van lage-rugklachten als waardevol gezien.
  • Behandeltechnieken bestaan uit mobiliserende technieken, met name niet uit manipulaties. Het peri-articulaire weefsel (met name collageen bindweefsel in disci en ligamenten) moet in staat worden gesteld om te ‘leren’ van de uitgevoerde bewegingen en daarbij passen gewrichtsbewegingen die in een rustig tempo en herhaaldelijk uitgevoerd worden.

Beoordelingen

Plaats een reactie